OKTOBER
Lef.
Prakties tegen het eind der 80-jarige oorlog werd het in ons dorp bezijden de grote rivieren woonachtige starters-gezin Bloesvoets verblijd met de geboorte van een pas geboren zoon.
Daar het gezinnetje al eerder gezegend was met de komst van een Abe, een Brunhilde, een Cisterne, een Dik etc. waren zij kortom bij de letter L aangeland. En zij noemden deze jongste telg dan ook Lef.
Lef Bloesvoets, dat was me d'r een.
Reeds op een-jarige leeftijd werd hij betrapt bovenin de met pruimen als eieren zo groot beladen pruimenboom van onze buurman Bagerlap. En met de wangen bol wel te verstaan. Even later; het kleuteronderwijs, dat genoot de kleine rekel amper. Oh neen, niks geen muizetrappetjes vouwen en al helemaal geen 16 vierkantjes voor onze Lef, hij vond geheel eigenhandig het spijbelen uit.
En zo ging het maar door, aldra van ras tot erger.
Ach, wat zullen wij verder vertellen over zijn jongelingsjaren. Lef tierde en weelde, illegale schotsschriften rondbrengen? Dat was een kolfje naar zijn hand. Op houten banden reed hij naar Friesland en verder overzee, enkel en alleen om de bezetter te misleiden. Hij schafte zich een bromfiets aan met verhoogde stuurinrichting en reed daar zegepralend de kerk mee rond. Hij beproefde de ijsvlaktes in ons dorp bezijden de rivieren, ver, ver voor het schaatsseizoen was aangebroken. Moederziel alleen toog hij ter mammoetjacht gehuld in het hem zo karakteristieke walvisbaleinen pakje dat zijn moeder liefdevol had bestikt met paardetanden. Zelfs het ponypark Slagharen werd meer dan eens door hem bezocht.
Ach Lef durfde alles en liet niets onbeproefd.
Totdat, hij op 18-jarige leeftijd in de kraag gevat werd bij het indrukken van de ding-dong bel van notaris Verbeft en vooral het daarop hard wegrennen.
Die Lef.
Gelijk diezelfde dag werd hij naar de Goelag verbannen, even ten westen van ons dorp bezijden de grote rivieren, levenslang.
Mijn zuster en ik, wij waren radeloos. "Lef, de held onzer dromen die reeds zo vaak en niet onwelgevallig zijn oog op onze pasgewassen enkels had laten vallen. Lef die bewegingen als zijnde getrouwd met ons placht te maken terwijl we nochtans niet verloofd waren". Deze Lef nu was verdwenen aan de verste einderen.Ons dorp bezijden de grote rivieren was kil en kaal en koud zonder hem. (Dat was ons dorp eigenlijk altijd al maar het kwam ons zo voor die avond). Ontdaan van alles wat van enigerlei waarde was in onze ogen, ontdaan van Lef, had het leven voor ons gezusters weinig waarde meer. Ach wat lagen wij teneder in piepzak en as !
Totdat, op zekere dag, en Lef zou Lef niet wezen, hij terugkeerde naar ons klamvochtige dorp bezijden de grote rivieren. Hij was, ja eerlijk waar, hij was ontsnapt onder de naam Pimpernel, roze of paars, dat zou ons worst wezen, hij was er immers weer. Tegen de bewakers scheen hij gezegd te hebben:" Ik ben de Pimpernel, van die en die kleur, laat mij onmiddelijk de smaak der vrijheid proeven". Ondanks dat deze woorden nogal lispelend moeten hebben geklonken vanwege het ijzeren masker dat hij in die dagen droeg, konden de bewaarders, onder de indruk als zij waren niet anders dan hem laten gaan. En daar was hij dan pronkend en pralend als geen ander; Lef. En daarop, verstoken van vrouwlijk gezelschap als hij die dagen in de Goelag was geweest, besloot hij tot zijn koudste huzarenstukje ooit; hij toog naar onze vader. En bij onze vader aangekomen (een grimmig en ongezeggelijk man) zeide Lef:" Geef mij uw dochters hand, maakt me niet uit welke, doe d'r maar een". Waarop onze vader hem toevoegde:" Neen, het is beide of geen". En nu nog altijd, als iemand in ons dorp een bravourestukje wil stellen, wordt algemeen gezegd: "Daar moet je Lef voor hebben".
Kaat en Anna Schalkens.